Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
ranger
01
opruimen, ordenen
mettre en ordre, organiser, nettoyer un endroit
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
range
1e persoon meervoud
rangeons
1e persoon toekomende tijd
rangerai
onvoltooid deelwoord
rangeant
voltooid deelwoord
rangé
1e persoon meervoud imperfectum
rangions
Voorbeelden
Je range ma chambre tous les week-ends.
Ik ruim mijn kamer elk weekend op.
02
opstellen, in een rij zetten
mettre en ligne ou en ordre, souvent des personnes ou des objets
Voorbeelden
Le professeur a demandé aux élèves de ranger en ligne.
De leraar vroeg de leerlingen om zich op te stellen.
03
opruimen, ordenen
mettre quelque chose à sa place
Voorbeelden
Elle range ses clés dans un tiroir.
Ze bergt haar sleutels in een lade op.
04
parkeren, aan de kant zetten
garer un véhicule sur le côté de la route ou dans un espace prévu
Voorbeelden
Le policier lui a demandé de ranger sa voiture.
De politieagent vroeg hem om zijn auto te parkeren.
05
zich opstellen, in de rij gaan staan
se mettre en ligne ou en ordre, souvent avec d'autres
Voorbeelden
Les élèves se rangent dans la cour.
De leerlingen stellen zich op op het schoolplein.
06
classificeren, ordenen
classer quelque chose ou quelqu'un dans une catégorie
Voorbeelden
On le range parmi les meilleurs écrivains de sa génération.
Hij wordt gerangschikt onder de beste schrijvers van zijn generatie.
07
aan de kant van de weg stoppen, parkeren aan de kant
s'arrêter et se mettre sur le côté de la route
Voorbeelden
La voiture s'est rangée pour laisser passer l'ambulance.
De auto parkeerde om de ambulance door te laten.
08
zich vestigen, zich stabiliseren
adopter une vie plus sérieuse ou plus stable, souvent après une période de rébellion
Voorbeelden
Après des années de fêtes, il a fini par se ranger.
Na jaren feesten is hij eindelijk tot rust gekomen.



























