Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
daar, ginder
Je sleutels liggen daar op de toonbank.
Laten we daar na de lunch heen gaan.
daar, hier
Ah, daar is het! Ik heb mijn portemonnee gevonden.
daar, ginder
Onderteken uw naam daar onderaan.
daar, kijk
"Ik had het mis" daar aarzelde hij.
daar, wat dat betreft
Ik ben het met je eens daarover.
daar, hier
Uw zitplaats zal daar zijn wanneer u aankomt.
Ze is er altijd om te luisteren.
Daar!, Klaar!
Daar! Ik heb de lekkende kraan gerepareerd.
er is, daar is
Er ligt een boek op de tafel.
Daar, Er
Er was eens een koning met een gouden aanraking.
hey, hallo
Hallo daar ! Hoe gaat het?
daar, ginder
In de ruimte is er geen hier of daar, alleen maar een eindeloze leegte.
Ik zal het experiment opzetten, en jij neemt het over vanaf daar.
die... daar, deze... daar
Ik heb die auto twintig jaar gehad.
Medicatie helpt hem zich mentaal alerter te voelen.



























