Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
emporter
01
meenemen, wegbrengen
prendre quelque chose avec soi en partant
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
bewegingswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
emporte
1e persoon meervoud
emportons
1e persoon toekomende tijd
emporterai
onvoltooid deelwoord
emportant
voltooid deelwoord
emporté
1e persoon meervoud imperfectum
emportions
Voorbeelden
Il a emporté son parapluie avant de sortir.
Hij heeft zijn paraplu meegenomen voordat hij wegging.
02
wegnemen, ontrukken
faire mourir quelqu'un, souvent à cause d'une maladie ou d'un accident
Voorbeelden
Le cancer l'a emporté en quelques mois.
De kanker heeft hem binnen een paar maanden weggenomen.
03
winnen, zegevieren
obtenir la victoire dans une compétition ou un défi
Voorbeelden
Elle a emporté la course facilement.
04
overheersen, zegevieren
être plus fort, plus important ou plus convaincant que quelque chose ou quelqu' un
Voorbeelden
Dans ce débat, la logique a emporté sur l'émotion.
In dit debat won de logica het van de emotie.
05
boos worden, opvliegen
se mettre en colère ou réagir fortement sous le coup de l'émotion
Voorbeelden
Il s'est emporté pour une simple remarque.
Hij raakte in woede vanwege een simpele opmerking.
06
meenemen, wegrukken
faire disparaître quelque chose en le soulevant ou en l'arrachant
Voorbeelden
L'eau a emporté la voiture.
Het water voerde de auto weg.



























