Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
diriger
01
leiden, beheren
contrôler le fonctionnement d'une organisation ou d'une activité
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
dirige
1e persoon meervoud
dirigeons
1e persoon toekomende tijd
dirigerai
onvoltooid deelwoord
dirigeant
voltooid deelwoord
dirigé
1e persoon meervoud imperfectum
dirigions
Voorbeelden
Mon père dirige une usine automobile.
Mijn vader beheert een autofabriek.
02
dirigeren, leiden
guider un orchestre dans l'interprétation d'une œuvre musicale
Voorbeelden
Le maestro dirige l'orchestre philharmonique.
De maestro dirigeert het filharmonisch orkest.
03
leiden, begeleiden
montrer la voie ou donner des instructions à des personnes
Voorbeelden
Le guide nous a dirigés à travers la vieille ville.
De gids leidde ons door de oude stad.
04
besturen, sturen
contrôler la direction d'un véhicule ou d'un mouvement
Voorbeelden
Dirigez le volant doucement vers la droite.
Stuur het stuur zachtjes naar rechts.
05
richten, richten op
orienter quelque chose vers une cible précise
Voorbeelden
Il dirige son arme vers la cible.
Hij richt zijn wapen op het doel.
06
kanaliseren, richten
orienter des efforts, des émotions ou des ressources vers un but précis
Voorbeelden
Dirigez votre colère vers quelque chose de productif.
Richt uw woede op iets productiefs.
07
zich begeven, op weg gaan
aller vers un endroit spécifique
Voorbeelden
Nous nous dirigeons vers la sortie.
We begeven ons naar de uitgang.



























