Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to encounter
01
tegenkomen, ontmoeten
to come across or meet someone or something, often unexpectedly or by accident
Transitive: to encounter sb/sth
Voorbeelden
While hiking in the woods, we encountered a group of deer grazing peacefully.
Tijdens het wandelen in het bos kwamen we een groep herten tegen die vredig aan het grazen waren.
02
tegenkomen, geconfronteerd worden met
to be faced with an unexpected difficulty during a process
Transitive: to encounter a difficulty
Voorbeelden
The team encountered unexpected challenges while implementing the new software.
Het team kwam onverwachte uitdagingen tegen tijdens de implementatie van de nieuwe software.
03
ontmoeten, tegenkomen
to meet, especially by chance
Intransitive
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
encounter
3e persoon enkelvoud
encounters
onvoltooid deelwoord
encountering
onvoltooid verleden tijd
encountered
voltooid deelwoord
encountered
Voorbeelden
They often encounter in unusual circumstances.
Ze ontmoeten elkaar vaak in ongebruikelijke omstandigheden.
04
confronteren, tegenkomen
to face or come into conflict with someone
Transitive: to encounter an adversary or enemy
Voorbeelden
The soldiers encountered enemy forces on their way to the border.
De soldaten kwamen vijandelijke troepen tegen op weg naar de grens.
Encounter
01
ontmoeting, schermutseling
a brief, minor conflict or skirmish
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
samenstelling
telbaar
meervoudsvorm
encounters
Voorbeelden
The soldiers had a brief encounter with enemy forces.
De soldaten hadden een kort gevecht met vijandelijke troepen.
02
ontmoeting, toevallige ontmoeting
a casual or brief meeting with a person or thing
Voorbeelden
The students had an encounter with a new teaching assistant.
De studenten hadden een ontmoeting met een nieuwe onderwijsassistent.



























