Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
schlagen
01
slaan, meppen
Mit Kraft auf etwas oder jemanden einwirken
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
schlage
3e persoon enkelvoud
schlägt
onvoltooid deelwoord
schlagend
onvoltooid verleden tijd
schlug
voltooid deelwoord
geschlagen
Voorbeelden
Er schlägt den Nagel mit dem Hammer in die Wand.
Hij slaat de spijker met de hamer in de muur.
02
vechten
Sich körperlich mit jemandem auseinandersetzen
Voorbeelden
Die Kinder schlagen sich im Sandkasten.
De kinderen vechten in de zandbak.
03
verslaan, overwinnen
Jemanden in einem Wettkampf überwinden
Voorbeelden
Deutschland schlug Brasilien 7:1.
Duitsland versloeg Brazilië met 7:1.
04
overwinnen, verslaan
Etwas Schwieriges bewältigen
Voorbeelden
Sie schlug alle Hindernisse.
Ze overweldigde alle obstakels.
05
kloppen
Zutaten durch Schlagen verbinden
Voorbeelden
Schlag die Eier mit dem Zucker!
Klop de eieren met de suiker !
06
invloed hebben, zich laten voelen
Spürbare Folgen haben
Voorbeelden
Der Stress schlägt sich auf seinen Schlaf.
De stress heeft invloed op zijn slaap.
07
zich begeven, zich richten
Sich in eine Richtung begeben
Voorbeelden
Sie schlug sich durch den Dschungel.
Ze baande zich een weg door de jungle.



























