compter
01
tellen, berekenen
déterminer un nombre ou une quantité
Voorbeelden
Nous avons compté 35 participants.
We hebben 35 deelnemers geteld.
02
berekenen, rekenen
effectuer des opérations mathématiques pour obtenir un total
Voorbeelden
Elle compte rapidement sur sa calculatrice.
Ze rekent snel op haar rekenmachine.
03
rekening houden met, in aanmerking nemen
prendre en considération, inclure dans un calcul ou une estimation
Voorbeelden
Je n' avais pas compté cette possibilité dans mes plans.
Ik had deze mogelijkheid niet meegerekend in mijn plannen.
04
bij benadering berekenen, schatten
faire une estimation approximative
Voorbeelden
Il compte finir le travail en trois jours.
Hij rekent erop het werk in drie dagen af te ronden.
05
bevatten, omvatten
contenir, inclure comme élément constitutif
Voorbeelden
L' université compte quinze bibliothèques.
De universiteit telt vijftien bibliotheken.
06
van plan zijn, bedoelen
avoir l'intention de faire quelque chose
Voorbeelden
Nous comptons organiser une fête.
We zijn van plan een feestje te organiseren.
07
rekenen op, vertrouwen op
placer son espoir ou sa confiance en quelqu'un ou quelque chose
Voorbeelden
Nous comptons sur votre ponctualité.
We rekenen op uw stiptheid.
08
belangrijk zijn, van belang zijn
avoir de l'importance, être significatif
Voorbeelden
Ton opinion compte beaucoup pour moi.
Jouw mening telt veel voor mij.



























