Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
01
route, traject
a fixed way between two places, along which a bus, plane, ship, etc. regularly travels
Voorbeelden
The bus followed its usual route despite the heavy snow.
De bus volgde zijn gebruikelijke route ondanks de zware sneeuwval.
Voorbeelden
The biking route passes by several historic landmarks.
De fietsroute passeert verschillende historische bezienswaardigheden.
03
pad, route
a way or method that leads to a certain goal or result
Voorbeelden
Exercise and sleep are both good routes to better mental health.
Beweging en slaap zijn beide goede routes naar een betere geestelijke gezondheid.
to route
01
routeren, leiden
to send or direct something along a specified course or path
Transitive: to route sth somewhere
Voorbeelden
The tour guide will route the hiking group through scenic trails to showcase the natural beauty of the area.
De gids zal de wandelgroep leiden door schilderachtige paden om de natuurlijke schoonheid van het gebied te laten zien.
02
omleiden, herrouteren
to divert or change course of movement to a specified direction
Transitive: to route sb/sth to a direction
Voorbeelden
The event organizers routed the parade away from the construction zone.
De organisatoren van het evenement leidden de optocht weg van de bouwzone.
03
routeren, doorsturen
to send or direct information through a device that forwards data packets between computer networks
Transitive: to route data packets
Voorbeelden
The network engineer will route the data packets through multiple routers to establish a redundant connection.
De netwerkingenieur zal de datapakketten via meerdere routers routeren om een redundante verbinding tot stand te brengen.



























