Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
amener
01
brengen
faire venir quelqu'un ou quelque chose avec soi à un endroit
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
amène
1e persoon meervoud
amenons
1e persoon toekomende tijd
amènerai
onvoltooid deelwoord
amenant
voltooid deelwoord
amené
1e persoon meervoud imperfectum
amenions
Voorbeelden
J'amène mes enfants à l'école chaque matin.
Ik breng mijn kinderen elke ochtend naar school.
02
veroorzaken, teweegbrengen
être la cause ou la raison de l'apparition de quelque chose
Voorbeelden
Ce médicament peut amener des effets secondaires.
Dit medicijn kan bijwerkingen veroorzaken.
03
gebruiken, toepassen
mettre quelque chose à disposition ou le faire servir pour un usage particulier
Voorbeelden
Il a amené ses compétences pour résoudre le problème.
Hij bracht zijn vaardigheden om het probleem op te lossen.
04
aankomen, verschijnen
arriver quelque part, se présenter à un endroit
Voorbeelden
Il s'est amené au bureau très tôt ce matin.
Hij kwam vanmorgen heel vroeg op kantoor.
05
leiden tot, aansporen
pousser quelqu'un à faire quelque chose ou provoquer un changement dans son comportement ou sa pensée
Voorbeelden
Ses paroles ont amené son ami à réfléchir sur ses choix.
Zijn woorden brachten zijn vriend ertoe na te denken over zijn keuzes.
06
brengen, invoeren
introduire quelqu'un ou quelque chose dans une situation ou un état
Voorbeelden
Il a amené son équipe à la victoire.
Hij bracht zijn team naar de overwinning.



























