Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
accrocher
01
ophangen, vastmaken
suspendre ou fixer quelque chose à un support
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
accroche
1e persoon meervoud
accrochons
1e persoon toekomende tijd
accrocherai
onvoltooid deelwoord
accrochant
voltooid deelwoord
accroché
1e persoon meervoud imperfectum
accrochions
Voorbeelden
J'ai accroché le tableau au mur.
Ik heb het schilderij aan de muur gehangen.
02
vasthouden, zich stevig vastklampen
se tenir fermement à quelque chose
Voorbeelden
Elle s'est accrochée à la rampe pour ne pas tomber.
Ze klampte zich vast aan de leuning om niet te vallen.
03
verbinden, overeenkomen
établir un lien ou une connexion (relationnel)
Voorbeelden
Je n'accroche pas avec elle.
Ik klik niet met haar.
04
botsen, inrijden
entrer en contact violent ou inattendu avec quelque chose
Voorbeelden
La voiture a accroché un arbre en sortant de la route.
De auto botste tegen een boom toen hij van de weg af ging.
05
boeien, fascineren
captiver ou intéresser vivement quelqu'un
Voorbeelden
Ce film m'a immédiatement accroché.
Deze film heeft me meteen gegrepen.
06
verslaafd maken, afhankelijk maken
endre quelqu'un dépendant de quelque chose
Voorbeelden
Ce jeu vidéo a accroché mon fils.
Deze videogame heeft mijn zoon verslaafd gemaakt.



























