embarquer
01
instappen, aan boord gaan
monter à bord d'un véhicule (navire, avion)
Voorbeelden
Elle refuse d' embarquer sans son passeport.
Ze weigert aan boord te gaan zonder haar paspoort.
02
inladen, inschepen
charger des marchandises ou objets dans un véhicule
Voorbeelden
Le camion a embarqué 20 tonnes de marchandises.
De vrachtwagen laadde 20 ton goederen.
03
impliquer quelqu'un dans une situation compliquée ou risquée
Voorbeelden
Elle nous a embarqués dans son projet fou.
Ze heeft ons in haar gekke project betrokken.
04
inschepen/inladen, aan boord brengen
faire monter des personnes dans un véhicule
Voorbeelden
On doit embarquer les enfants en premier.
Instappen de kinderen eerst.



























