Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to calculate
01
berekenen, calculeren
to find a number or amount using mathematics
Transitive: to calculate a number or amount
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
calculate
3e persoon enkelvoud
calculates
onvoltooid deelwoord
calculating
onvoltooid verleden tijd
calculated
voltooid deelwoord
calculated
Voorbeelden
She calculated the total cost of the groceries before going to the store.
Ze berekende de totale kosten van de boodschappen voordat ze naar de winkel ging.
02
beoordelen, inschatten
to form an opinion by considering the information at hand
Transitive: to calculate that
Voorbeelden
He calculated that it would be more cost-effective to rent rather than buy.
Hij berekende dat huren kosteneffectiever zou zijn dan kopen.
03
afhangen, vertrouwen op
to depend on or rely upon something or someone
Transitive: to calculate on a condition
Voorbeelden
The success of the project will calculate on timely approval from the board.
Het succes van het project zal afhangen van tijdige goedkeuring door de raad.
04
berekenen, schatten
to predict or estimate the likely outcomes or effects of a situation or decision
Transitive: to calculate consequences of something
Voorbeelden
The team calculated the long-term consequences of their decision to cut costs.
Het team berekende de langetermijngevolgen van hun beslissing om kosten te besparen.
05
berekenen, ontwerpen
to plan or create something with a particular purpose or goal in mind
Ditransitive: to calculate sth to do sth
Voorbeelden
The team calculated the product’s features to appeal specifically to young professionals.
Het team berekende de kenmerken van het product om specifiek jonge professionals aan te spreken.
Lexicale Boom
calculated
calculating
calculation
calculate
calcul



























