to bite
bite
baɪt
bait
citebytelitesite

Definitie en betekenis van "bite"in het Engels

to bite
01

bijten, kauwen

to cut into flesh, food, etc. using the teeth 
Transitive: to bite sth
Intransitive: to bite | to bite int sth
to bite definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
onregelmatig
tegenwoordige tijd
bite
3e persoon enkelvoud
bites
onvoltooid deelwoord
biting
onvoltooid verleden tijd
bit
voltooid deelwoord
bitten
Voorbeelden
The dog warned the intruder by growling before attempting to bite. 

De hond waarschuwde de indringer door te grommen voordat hij probeerde te bijten.

02

bijten, steken

to deliver a sting or wound, typically as a means of defense or predation 
Transitive: to bite sb/sth
Intransitive
to bite definition and meaning
Voorbeelden
The snake can bite quickly when threatened. 

De slang kan snel bijten wanneer hij bedreigd wordt.

03

bijten, steken

to inflict a sharp pain or discomfort on someone or something 
Transitive: to bite sth | to bite into the skin | to bite at the skin
Voorbeelden
The cold wind seemed to bite my cheeks as I walked outside. 

De koude wind leek mijn wangen te bijten toen ik naar buiten liep.

04

bijten, snijden

to cut or break the surface of something using a sharp object 
Transitive: to bite sth
Voorbeelden
The scissors bit the paper, cutting it neatly into two pieces. 

De schaar beet in het papier en sneed het netjes in twee stukken.

05

stelen, kopiëren

(African American) to plagiarize, copy, or imitate someone's style, moves, or work 
slang
Voorbeelden
He's always biting my dance moves. 

Hij steelt altijd mijn dansbewegingen.

01

beet, steek

a wound or injury inflicted by the teeth of an animal 
bite definition and meaning
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
bites
Voorbeelden
The dog bite on his leg required immediate medical attention. 

De beet van de hond in zijn been vereiste onmiddellijke medische aandacht.

02

hap, beet

a small amount of food that is taken into the mouth at one time, often to chew or swallow 
Voorbeelden
She took a bite of the apple and savored its sweetness. 

Ze nam een hap van de appel en genoot van de zoetheid.

2.1

een hapje, een snelle snack

a light, informal meal or snack, often eaten quickly 
bite definition and meaning
Voorbeelden
We stopped at a café for a quick bite before continuing our road trip. 

We stopten bij een café voor een snelle hap voordat we onze roadtrip voortzetten.

03

beet, hap

the act of grabbing or tearing into something using one's teeth and jaws 
04

hap, stuk

a portion removed from the whole 
05

beet, scherpte

the intense taste experience of food, particularly characterized by a sharp or strong flavor 
Voorbeelden
The chili had a fiery bite that lingered on the taste buds. 

De chili had een vurige beet die op de smaakpapillen bleef hangen.

06

bijtendheid, scherpte

a sharp, cutting, or caustic quality in speech, writing, or tone 
Voorbeelden
Her words had a bite to them, leaving everyone stunned by their harshness. 

Haar woorden hadden een beet, waardoor iedereen verbaasd was door hun hardheid.

07

beet, vangst

(angling) an instance of a fish taking the bait 
08

beet, steek

a painful wound caused by the thrust of an insect's stinger into skin 
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store