Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
débarquer
01
lossen, uitladen
faire sortir (quelqu'un ou quelque chose) d'un bateau, d'un avion ou d'un véhicule
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
bewegingswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
débarque
1e persoon meervoud
débarquons
1e persoon toekomende tijd
débarquerai
onvoltooid deelwoord
débarquant
voltooid deelwoord
débarqué
1e persoon meervoud imperfectum
débarquions
Voorbeelden
On doit débarquer les bagages avant midi.
De bagage moet voor de middag uitgeladen worden.
02
uitstappen, van boord gaan
quitter un bateau, un avion, ou un véhicule
Voorbeelden
Les touristes débarquent du paquebot.
De toeristen gaan van het cruiseschip aan wal.
03
opduiken, plotseling verschijnen
arriver de manière inattendue ou soudaine
Voorbeelden
Mes parents ont débarqué pour le week - end.
Mijn ouders zijn voor het weekend geland.
04
niet op de hoogte zijn, de situatie niet begrijpen
ne pas être au courant, ne pas comprendre une situation
Voorbeelden
Désolé, je débarque, explique -moi depuis le début.
Sorry, ik heb geen idee, leg het me vanaf het begin uit.



























