Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
vlam, brand
De brandweerlieden worstelden om de brand onder controle te krijgen.
bron van problemen, moeilijkheid
De plotselinge storm werd een brand voor de gestrande wandelaars.
lawaai, rumoer
Het kinderfeestje zat vol met luidruchtige en onstuimige herrie.
verblinding, verblindend licht
Het plotselinge felle licht van de koplampen deed haar ogen pijn.
blesse, ster
Het paard had een witte vlam die over zijn voorhoofd liep.
vlammen, fel branden
Het vuur laaide fel op en verlichtte de nachtelijke hemel.
vlammen, intens schijnen
De zon brandde aan de hemel, waardoor het moeilijk was om er rechtstreeks naar te kijken.
wild schieten, schieten zonder te richten
De politieagent vuurde op de vluchtende auto, in een poging deze te stoppen.
markeren, een pad banen
De wandelaars markeerden een pad door het dichte bos om de top te bereiken.
razen, suizen
De auto snelde over de snelweg, waarbij hij elk voertuig in zicht voorbijging.
verkondigen, luidkeels aankondigen
De krant lichtte het nieuwsbericht op de voorpagina uit en trok de aandacht van de lezers.



























