ausmachen
Pronunciation
/ˈaʊ̯smaxən/

Definitie en betekenis van "ausmachen"in het Duits

ausmachen
01

uitschakelen, afzetten

Etwas abschalten
ausmachen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
machen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
mache aus
3e persoon enkelvoud
macht aus
onvoltooid deelwoord
ausmachend
onvoltooid verleden tijd
machte aus
voltooid deelwoord
ausgemacht
Voorbeelden
Er macht das Radio aus.
Hij zet de radio uit.
02

afspreken, regelen

Etwas gemeinsam planen oder besprechen
ausmachen definition and meaning
Voorbeelden
Sie haben alles telefonisch ausgemacht.
Ze hebben alles telefonisch geregeld.
03

lastigvallen, storen

Jemanden stören
ausmachen definition and meaning
Voorbeelden
Das Geräusch macht mich aus.
Het geluid stoort mij.
04

herkennen, identificeren

Jemanden oder etwas identifizieren
ausmachen definition and meaning
Voorbeelden
Kannst du ihn in der Menge ausmachen?
Kun je hem in de menigte herkennen ?
05

afspreken, overeenkomen

Eine Entscheidung treffen
ausmachen definition and meaning
Voorbeelden
Was haben wir denn jetzt ausgemacht?
Dus wat hebben we nu besloten?
06

bedragen, uitmaken

Eine bestimmte Menge oder Größe erreichen
Voorbeelden
Das Risiko macht einen kleinen Teil aus.
Het risico vormt een klein deel.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store