Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
ausmachen
01
uitschakelen, afzetten
Etwas abschalten
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
machen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
mache aus
3e persoon enkelvoud
macht aus
onvoltooid deelwoord
ausmachend
onvoltooid verleden tijd
machte aus
voltooid deelwoord
ausgemacht
Voorbeelden
Er macht das Radio aus.
Hij zet de radio uit.
02
afspreken, regelen
Etwas gemeinsam planen oder besprechen
Voorbeelden
Sie haben alles telefonisch ausgemacht.
Ze hebben alles telefonisch geregeld.
03
lastigvallen, storen
Jemanden stören
Voorbeelden
Das Geräusch macht mich aus.
Het geluid stoort mij.
04
herkennen, identificeren
Jemanden oder etwas identifizieren
Voorbeelden
Kannst du ihn in der Menge ausmachen?
Kun je hem in de menigte herkennen ?
05
afspreken, overeenkomen
Eine Entscheidung treffen
Voorbeelden
Was haben wir denn jetzt ausgemacht?
Dus wat hebben we nu besloten?
06
bedragen, uitmaken
Eine bestimmte Menge oder Größe erreichen
Voorbeelden
Das Risiko macht einen kleinen Teil aus.
Het risico vormt een klein deel.



























