ausmachen
ausmachen
aʊ̯smaxn
awsmakhn
auslachenauskochenaussuchenaufwachen

Definitie en betekenis van "ausmachen"in het Duits

ausmachen
01

uitschakelen, afzetten

Etwas abschalten 
ausmachen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
machen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
mache aus
3e persoon enkelvoud
macht aus
onvoltooid deelwoord
ausmachend
onvoltooid verleden tijd
machte aus
voltooid deelwoord
ausgemacht
Voorbeelden
Ich mache das Licht aus. 

Uitzetten het licht.

02

afspreken, regelen

Etwas gemeinsam planen oder besprechen 
ausmachen definition and meaning
Voorbeelden
Wir haben ein Treffen ausgemacht. 

We hebben een vergadering afgesproken.

03

lastigvallen, storen

Jemanden stören 
ausmachen definition and meaning
Voorbeelden
Kälte macht ihm sehr viel aus. 

Kou stoort hem erg.

04

herkennen, identificeren

Jemanden oder etwas identifizieren 
ausmachen definition and meaning
Voorbeelden
Sie konnte seine Stimme sofort ausmachen. 

Ze kon zijn stem meteen herkennen.

05

afspreken, overeenkomen

Eine Entscheidung treffen 
ausmachen definition and meaning
Voorbeelden
Wir haben ausgemacht, dass wir fahren. 

We hebben afgesproken dat we zouden gaan.

06

bedragen, uitmaken

Eine bestimmte Menge oder Größe erreichen 
Voorbeelden
Das macht 20 Euro aus. 

Dat komt uit op 20 euro.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store