Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
spelen, zich vermaken
De kinderen spelen in de tuin.
spelen
Zij speelt de hoofdrol in het toneelstuk.
vervormen, buigen
Het hout vervormt onder invloed van vocht.
spelen, interpreteren
Speelt elke dag piano.
spelen, deelnemen aan een spel of sport
Hij speelt elke weekend voetbal.
gokken, wedden
Hij speelt elk weekend in het casino.
riskeren, in gevaar brengen
Hij zet zijn reputatie op het spel met deze beslissing.
spelen, vertolken
Hij speelt de rol van de leraar voor zijn vrienden.
bedriegen, misleiden
Hij speelde zijn partner om alle winst te behouden.
opgevoerd worden, gespeeld worden
Het stuk wordt vanavond in het theater gespeeld.
bedriegen, misleiden
Hij bedroog zijn vrienden om geld te krijgen.
speling hebben, los zitten
De schroef speelt een beetje, hij moet worden aangedraaid.
een rol spelen, invloed hebben
Ze speelt een belangrijke rol in deze zaak.
speculeren, spelen op de beurs
Speelt al enkele jaren op de beurs.
plaatsvinden, zich afspelen
Vandaag beslist alles voor de toekomst van het bedrijf.
worden opgevoerd, worden uitgevoerd
Dit stuk wordt opgevoerd in een groot theater in Parijs.
licht opvatten, niet serieus nemen
Hij nam het gevaar op de koop toe zonder na te denken over de gevolgen.



























