Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
vouloir
01
willen, verlangen
exprimer un désir ou une envie de quelque chose
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
sterk
onscheidbaar
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
veux
1e persoon meervoud
voulons
1e persoon toekomende tijd
voudrai
onvoltooid deelwoord
voulant
voltooid deelwoord
voulu
1e persoon meervoud imperfectum
voulions
Voorbeelden
Nous voulons voir ce film.
We willen deze film zien.
02
willen, wensen
désirer ou avoir l'intention de faire quelque chose
Voorbeelden
Nous voulons acheter une nouvelle maison.
Wij willen een nieuw huis kopen.
03
willen
éprouver de l'affection ou un désir envers quelqu'un ou quelque chose
Voorbeelden
Nous voulons cette chanson.
Wij willen dit lied.
04
goedkeuren, accepteren
accepter ou approuver quelque chose, manifester son accord
Voorbeelden
Ils veulent cette proposition.
Zij willen dit voorstel.
05
pretenderen te zijn, aanspraak maken op
prétendre être ou agir d'une certaine manière, revendiquer une qualité ou un statut
Voorbeelden
Cette invention se veut révolutionnaire.
Deze uitvinding wil revolutionair zijn.
Le vouloir
01
wil, verlangen
le désir ou la volonté de quelqu'un, ce qu'une personne souhaite
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
samenstelling
telbaar
geslacht
mannelijk
Voorbeelden
Elle agit selon son vouloir.
Ze handelt volgens haar wil.



























