Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
voyager
01
reizen, zich verplaatsen
se déplacer d'un endroit à un autre, souvent pour le plaisir ou les affaires
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
voyage
1e persoon meervoud
voyageons
1e persoon toekomende tijd
voyagerai
onvoltooid deelwoord
voyageant
voltooid deelwoord
voyagé
1e persoon meervoud imperfectum
voyagions
Voorbeelden
Nous avons voyagé pendant deux semaines.
We hebben twee weken gereisd.



























