Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
remettre
01
terugzetten, terugleggen
replacer quelque chose à sa place ou retourner quelque chose
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
remets
1e persoon meervoud
remettons
1e persoon toekomende tijd
remettrai
onvoltooid deelwoord
remettant
voltooid deelwoord
remis
1e persoon meervoud imperfectum
remettions
Voorbeelden
Je dois remettre le dossier à sa place.
Ik moet het dossier op zijn plaats terugleggen.
02
uitstellen, verzetten
reporter quelque chose à un moment ultérieur
Voorbeelden
Le médecin a remis l' opération d' une semaine.
De arts stelde de operatie een week uit.
03
overhandigen, geven
donner quelque chose à quelqu'un
Voorbeelden
Il remet son passeport au douanier.
Hij overhandigt zijn paspoort aan de douanebeambte.
04
repareren, herstellen
réparer ou remettre en état quelque chose
Voorbeelden
Elle a remis la porte qui grinçait correctement.
Ze heeft de piepende deur correct gerepareerd.
05
herstellen, bijkomen
retrouver la santé ou la force après une maladie ou une difficulté
Voorbeelden
Après le stress de l' examen, elle a besoin de se remettre.
Na de stress van het examen moet ze bijkomen.
06
hervatten, voortzetten
recommencer quelque chose ou reprendre une activité
Voorbeelden
Nous nous remettons à courir après une longue pause.
We beginnen weer met rennen na een lange pauze.
07
weer aantrekken, opnieuw opzetten
porter de nouveau un vêtement ou un accessoire
Voorbeelden
Je dois remettre ce pull parce qu' il fait froid.
Ik moet deze trui weer aantrekken omdat het koud is.
08
opnieuw toevoegen, weer toevoegen
ajouter de nouveau quelque chose à ce qui existe déjà
Voorbeelden
Nous avons remis des couvertures sur le lit.
We hebben de dekens weer op het bed gelegd.



























