Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
balancer
01
zwaaien, schommelen
faire bouger régulièrement d'avant en arrière ou de côté
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
balance
1e persoon meervoud
balançons
1e persoon toekomende tijd
balancerai
voltooid deelwoord
balancé
1e persoon meervoud imperfectum
balancions
Voorbeelden
Elle balance le bébé dans ses bras.
02
zich ontdoen van, kwijtraken
se débarrasser de quelque chose ou quelqu'un de manière abrupte
Voorbeelden
Il a balancé ses vieux vêtements.
Hij ontdeed zich van zijn oude kleren.
03
aarzelen
hésiter entre deux options, être incertain dans sa décision
Voorbeelden
Il balance entre accepter ou refuser l'offre.
Aarzelt tussen het accepteren of weigeren van het aanbod.
04
schommelen, heen en weer zwaaien
se mouvoir en avant et en arrière ou latéralement comme une balançoire
Voorbeelden
L'enfant se balance sur la balançoire dans le parc.
Het kind schommelt op de schommel in het park.
05
balanceren, in evenwicht houden
maintenir ou rétablir l'équilibre de quelque chose
Voorbeelden
Il balance son corps pour ne pas tomber.
Hij balanceert zijn lichaam om niet te vallen.



























