Zoeken
noch
01
nog
Drückt eine Steigerung aus
Voorbeelden
Sie läuft noch schneller.
Ze rent nog sneller.
02
nog
Beschreibt eine andauernde Situation
Voorbeelden
Sie lebt noch in Berlin.
Ze woont nog in Berlijn.
03
nog, nog steeds
Drückt eine drohende Konsequenz aus
Voorbeelden
Warte nur, das wirst du noch sehen!
Wacht maar, je zult het nog zien!
04
net, pas
Betont die Unmittelbarkeit
Voorbeelden
Sie kam noch rechtzeitig.
Ze kwam nog net op tijd.
05
meteen
Beschreibt eine sofortige Handlung
Voorbeelden
Er starb noch am Unfallort.
Hij stierf nog op de plaats van het ongeval.
06
nog
Beschreibt eine unbeeinflusste Situation
Voorbeelden
Noch so gute Noten reichen nicht.
Zelfs zulke goede cijfers zijn niet genoeg.
07
trouwens
Leitet eine nachträgliche Frage ein
Voorbeelden
Ach ja, noch was – ich habe morgen frei.
Ach ja, nog iets – ik ben morgen vrij.
08
nog, nooit
Betont eine erstmalige Erfahrung
Voorbeelden
Wir haben das noch nie probiert.
We hebben dat nooit geprobeerd.
09
nog
zusätzliche Menge oder Fortsetzung an
Voorbeelden
Ich habe noch einen Wunsch.
Ik heb nog een wens.
10
tot
Zeigt eine Frist an
Voorbeelden
Noch vor dem Essen sollst du duschen.
Nog voor het eten, moet je douchen.
11
later, nog
Drückt eine spätere Rückkehr zum Thema aus
Voorbeelden
Ich komme noch auf das Thema zurück.
Ik kom nog terug op het onderwerp.
12
nog
Drückt eine mögliche zukünftige Handlung aus
Voorbeelden
Er wird noch gewinnen.
Hij zal nog winnen.
13
tenminste
Zeigt eine positive Kehrseite an
Voorbeelden
Sie ist noch freundlich geblieben.
Ze is nog vriendelijk gebleven.
14
nog
Betont eine überraschende positive Eigenschaft
Voorbeelden
Es war billig und noch lecker.
Het was goedkoop en nog lekker.
15
tenminste
Drückt eine Mindesterwartung aus
Voorbeelden
Er hätte noch anrufen können.
Hij had nog kunnen bellen.
16
nog
Beschreibt eine große Menge
Voorbeelden
Er schrieb noch und noch Briefe.
Hij schreef en nog brieven.


























