Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
retrouver
01
terugvinden, weer vinden
trouver de nouveau quelque chose ou quelqu'un qu'on avait perdu ou quitté
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
retrouve
1e persoon meervoud
retrouvons
1e persoon toekomende tijd
retrouverai
onvoltooid deelwoord
retrouvant
voltooid deelwoord
retrouvé
1e persoon meervoud imperfectum
retrouvions
Voorbeelden
J'ai retrouvé mes clés sous le canapé.
Ik heb mijn sleutels onder de bank teruggevonden.
02
weerzien, opnieuw ontmoeten
rencontrer à nouveau quelqu'un qu'on connaît
Voorbeelden
J'ai retrouvé mon cousin à Paris.
Ik heb mijn neef in Parijs weer ontmoet.
03
elkaar weer ontmoeten, zich weer treffen
être de nouveau avec quelqu'un, souvent après une séparation ou par rendez-vous
Voorbeelden
Nous nous sommes retrouvés après dix ans.
We hebben elkaar na tien jaar weer ontmoet.
04
eindigen, belanden
se diriger vers une situation, un lieu ou une condition, souvent sans plan précis
Voorbeelden
Après des années d'hésitation, il s'est retrouvé avocat.
Na jaren van aarzeling vond hij zichzelf als advocaat.
05
terugkrijgen, herwinnen
avoir de nouveau ce qu'on avait perdu
Voorbeelden
Il a retrouvé son portefeuille perdu.
06
zichzelf vinden, plotseling voelen
se trouver soudainement dans une situation ou ressentir soudainement une émotion
Voorbeelden
Je me suis retrouvé seul dans une ville inconnue.
Ik bevond me alleen in een onbekende stad.



























