Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
conduire
01
rijden, besturen
diriger ou manœuvrer un véhicule
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
conduis
1e persoon meervoud
conduisons
1e persoon toekomende tijd
conduirai
onvoltooid deelwoord
conduisant
voltooid deelwoord
conduit
1e persoon meervoud imperfectum
conduisions
Voorbeelden
Je conduis une voiture tous les jours.
Ik rij elke dag een auto.
02
leiden, begeleiden
diriger, gérer ou guider un groupe, une organisation ou une activité
Voorbeelden
Il conduit l'équipe avec beaucoup de compétence.
Hij leidt het team met veel bekwaamheid.
03
leiden tot, voeren naar
mener quelque chose ou quelqu'un vers un résultat, une fin ou une destination
Voorbeelden
Cette stratégie peut conduire au succès.
Deze strategie kan leiden tot succes.
04
leiden tot, voeren naar
amener quelqu'un à faire quelque chose ou provoquer un résultat par une action ou une situation
Voorbeelden
Sa curiosité l'a conduit à poser beaucoup de questions.
Zijn nieuwsgierigheid leidde ertoe dat hij veel vragen stelde.
05
zich gedragen, zich gedragen
se comporter d'une certaine manière dans une situation
Voorbeelden
Il se conduit très bien en classe.
Hij gedraagt zich heel goed in de klas.
06
brengen, vervoeren
transporter quelqu'un ou quelque chose d'un endroit à un autre, souvent en voiture
Voorbeelden
Je conduis mes enfants à l'école tous les matins.
Ik breng mijn kinderen elke ochtend naar school.



























