Zoeken
treffen
[past form: traf]
01
toevallig tegenkomen, botsen tegen
Jemanden ohne vorherige Absicht oder Planung begegnen
Voorbeelden
Sie trafen sich unerwartet im Park.
Ze ontmoetten elkaar onverwacht in het park.
02
ontmoeten, stuiten op
Mit etwas oder jemandem in Kontakt oder Konfrontation kommen
Voorbeelden
Auf der Reise trafen sie viele Schwierigkeiten.
Tegenkomen van veel moeilijkheden op de reis.
03
afspreken, ontmoeten
Mit jemandem absichtlich zusammenkommen
Voorbeelden
Sie treffen sich zum ersten Mal.
Ze ontmoeten elkaar voor het eerst.
04
een beslissing nemen, een keuze maken
Eine Entscheidung oder Wahl machen
Voorbeelden
Sie traf eine schnelle Entscheidung.
Ze nam een snelle beslissing.
05
raden, treffen
Etwas richtig wählen oder erkennen
Voorbeelden
Sie hat mit ihrer Antwort ins Schwarze getroffen.
Ze heeft met haar antwoord de spijker op de kop geslagen.
06
slaan, botsen
Mit Kraft gegen etwas oder jemanden stoßen
Voorbeelden
Der Blitz traf den Baum.
De bliksem trof de boom.
07
kwetsen, pijn doen
Jemandem oder etwas Schaden zufügen
Voorbeelden
Seine Worte trafen ihren Stolz.
Zijn woorden kwetsten haar trots.
08
bereiken, raken
Ein bestimmtes Ziel erfolgreich erreichen oder treffen
Voorbeelden
Seine Antwort traf genau den Kern der Frage.
Zijn antwoord raakte precies de kern van de vraag.
Das Treffen
[gender: neuter]
01
vergadering, ontmoeting
Ein geplantes Zusammenkommen von Personen
Voorbeelden
Das Familientreffen war sehr herzlich.
De familiebijeenkomst was erg hartelijk.
02
wedstrijd, ontmoeting
Ein sportlicher Wettkampf zwischen zwei Parteien
Voorbeelden
Das nächste Treffen findet am Samstag statt.
De volgende ontmoeting vindt plaats op zaterdag.


























