Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
figurer
01
tonen, tentoonstellen
faire apparaître ou indiquer quelque chose de manière visible ou explicite
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
figure
1e persoon meervoud
figurons
1e persoon toekomende tijd
figurerai
onvoltooid deelwoord
figurant
voltooid deelwoord
figuré
1e persoon meervoud imperfectum
figurions
Voorbeelden
Cette carte figure toutes les villes principales.
Deze kaart toont alle belangrijke steden.
02
afbeelden, voorstellen
représenter quelque chose visuellement ou dans l'esprit
Voorbeelden
Elle figure ses émotions à travers ses dessins.
Ze beeldt haar emoties uit door haar tekeningen.
03
vertegenwoordigen, symboliseren
représenter ou symboliser quelque chose
Voorbeelden
Il figure un exemple de courage pour tous.
Hij vertegenwoordigt een voorbeeld van moed voor iedereen.
04
verschijnen, deelnemen
être présent ou apparaître quelque part
Voorbeelden
Nous figurons à la cérémonie officielle.
Wij zijn aanwezig bij de officiële ceremonie.
05
zich voorstellen, zich verbeelden
imaginer ou se représenter quelque chose dans son esprit
Voorbeelden
Nous nous figurons la vie à la campagne.
We stellen ons het leven op het platteland voor.
06
optreden als figurant, een bijrol spelen
jouer un rôle secondaire ou insignifiant dans une situation ou un groupe
Voorbeelden
Nous figurons dans le projet sans responsabilité réelle.
We spelen een rol in het project zonder echte verantwoordelijkheid.



























