coucher
01
naar bed gaan, gaan slapen
se mettre au lit pour dormir
Voorbeelden
Ils se couchent toujours tard pendant les vacances.
Ze gaan altijd laat slapen tijdens de vakantie.
02
naar bed brengen, in bed leggen
faire aller quelqu'un au lit pour dormir
Voorbeelden
Tu peux le coucher pendant que je fais la vaisselle ?
Kun je hem naar bed brengen terwijl ik de afwas doe?
03
buigen, kantelen
faire pencher ou abaisser quelque chose vers le sol
Voorbeelden
Les soldats ont couché leurs armes au sol.
De soldaten legden hun wapens op de grond.
04
gaan liggen, naar bed gaan
s'allonger sur une surface
Voorbeelden
Il aime se coucher tôt le soir.
Hij gaat graag vroeg naar bed 's avonds.
05
ondergaan, zinken
se placer sous l'horizon (pour le soleil ou la lune)
Voorbeelden
Nous avons regardé le soleil se coucher sur la mer.
We keken hoe de zon boven de zee onder ging.
06
opgeven, zich terugtrekken
abandonner la partie en posant ses cartes face cachée
Voorbeelden
Ne sois pas timide, ne couche pas tout de suite !
Wees niet verlegen, geef niet meteen op.



























