coucher
cou
ku
koo
cher
ʃɛʁ
sher
cochercoucheur

Definitie en betekenis van "coucher"in het Frans

coucher
01

naar bed gaan, gaan slapen

se mettre au lit pour dormir 
coucher definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
couche
1e persoon meervoud
couchons
1e persoon toekomende tijd
coucherai
onvoltooid deelwoord
couchant
voltooid deelwoord
couché
1e persoon meervoud imperfectum
couchions
Voorbeelden
Les enfants doivent se coucher à 21 heures. 

De kinderen moeten om 21 uur naar bed gaan.

02

naar bed brengen, in bed leggen

faire aller quelqu'un au lit pour dormir 
coucher definition and meaning
Voorbeelden
Elle couche son bébé à 20 heures chaque soir. 

Ze legt haar baby elke avond om 20 uur in bed.

03

buigen, kantelen

faire pencher ou abaisser quelque chose vers le sol 
coucher definition and meaning
Voorbeelden
Le vent a couché les blés dans le champ. 

De wind heeft de tarwe op het veld neergelegd.

04

gaan liggen, naar bed gaan

s'allonger sur une surface 
se coucher definition and meaning
Voorbeelden
Je vais me coucher un moment. 

Ik ga me even neerleggen.

05

ondergaan, zinken

se placer sous l'horizon (pour le soleil ou la lune) 
se coucher definition and meaning
Voorbeelden
Le soleil se couche à 19 heures aujourd'hui. 

De zon gaat onder om 19 uur vandaag.

06

opgeven, zich terugtrekken

abandonner la partie en posant ses cartes face cachée 
coucher definition and meaning
Voorbeelden
Il a couché ses cartes quand il a vu qu'il allait perdre. 

Hij legde zijn kaarten neer toen hij zag dat hij ging verliezen.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store