Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to ship
01
verzenden, verschepen
to send goods or individuals from one place to another using some form of transportation
Transitive: to ship sth | to ship sth somewhere
Voorbeelden
The online retailer ships items directly from the warehouse to the customer's doorstep.
De online retailer verzendt artikelen rechtstreeks vanuit het magazijn naar de deur van de klant.
02
inschepen, aan boord gaan
to embark or board a vessel for transportation by water
Intransitive
Voorbeelden
The cargo crew will ship early in the morning to load the containers onto the freighter.
De vrachtbemanning zal 's ochtends vroeg uitvaren om de containers op het vrachtschip te laden.
03
verzenden, vervoeren per schip
to transport goods or individuals via ships or vessels
Transitive: to ship sth | to ship sth somewhere
Voorbeelden
The mining company ships raw materials via cargo ships to factories across the globe for processing.
Het mijnbouwbedrijf vervoert grondstoffen via vrachtschepen naar fabrieken over de hele wereld voor verwerking.
04
dienen op een schip, aan boord gaan
to be engaged in service on a ship
Intransitive: to ship | to ship on a vessel
Voorbeelden
Sailors traditionally ship for several months at a time before returning to their home port.
Zeelieden varen traditioneel enkele maanden achtereen voordat ze terugkeren naar hun thuishaven.
05
shippen, ondersteunen
to support or hope for a romantic relationship between two people, whether real or fictional
Voorbeelden
Everyone at school ships our teacher with the new coach, but it's just a joke.
Iedereen op school shipt onze leraar met de nieuwe coach, maar het is maar een grap.



























