Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
rustic
01
rustiek, landelijk
displaying a natural simplicity and warmth that evokes traditional rural life
Voorbeelden
He preferred the rustic lifestyle — quiet, slow-paced, and close to nature.
Hij verkoos de rustieke levensstijl — rustig, in een langzaam tempo en dicht bij de natuur.
1.1
rustiek, landelijk
crafted in a straightforward, unrefined manner using basic materials
Voorbeelden
The rustic fence was made of split rails and bound with rope.
Het rustieke hek was gemaakt van gespleten rails en vastgebonden met touw.
1.2
boers, onbeschaafd
(of a person from a rural area) perceived as lacking education, refinement, or worldly experience
Voorbeelden
She was mocked as a rustic for her simple speech and homespun clothes.
Ze werd uitgelachen als een boerin vanwege haar eenvoudige spraak en zelfgemaakte kleding.
Rustic
01
boer, ploert
a person who lives in the countryside, often perceived as lacking urban refinement
Voorbeelden
He was a rustic by birth, raised among fields and livestock.
Hij was van geboorte een boer, opgegroeid tussen velden en vee.



























