Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
lopen, te voet gaan
Hij gaat naar school.
kunnen, mogelijk zijn
Werkt het nog steeds vandaag?
uitgaan met, een relatie hebben
Hij gaat met haar uit.
passen, binnengaan
De koffer past niet meer in de kast.
zich verdelen, worden verdeeld
Het geld wordt verdeeld in drie gelijke delen.
binnengaan, betreden
Gaan naar de kamer en gaan zitten.
dragen, aanhebben
Ze gaat vandaag erg elegant.
gaan, passen
Het shirt past goed bij je broek.
zich uitstrekken, reiken tot
De weg loopt tot aan de rivier.
raken, bereiken
De bal gaat naar de muur.
zich verspreiden, zich verbreiden
Het gerucht verspreidt zich snel in de stad.
bestemd zijn voor, geadresseerd zijn aan
De brief gaat naar mijn vriend.
verkopen, gaan
De auto vertrekt snel.
rinkelen, geluid maken
De telefoon gaat nu.
gaan, doen
De film was niet super, maar hij ging.
overschrijden, te boven gaan
De kosten overschrijden mijn budget.
gaan over, betreffen
Waar gaat de film over?
werken, functioneren
Mijn telefoon werkt niet meer.
voorbijgaan, verlopen
De vakantie gaat altijd veel te snel voorbij.
gebruiken zonder toestemming, lenen zonder toestemming
Hij pakt altijd mijn pen zonder te vragen.
gaan, zich bewegen
De auto rijdt langzaam langs de straat.
uitzetten, zwellen
Het deeg rijst in de oven.
gebeuren, plaatsvinden
Wat gebeurt hier eigenlijk?



























