manger
manger
mɑ̃ʒe
maazhe
managermangeurmandermanier

Definitie en betekenis van "manger"in het Frans

manger
01

eten, slikken

mettre de la nourriture dans la bouche et l'avaler 
manger definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
mange
1e persoon meervoud
mangeons
1e persoon toekomende tijd
mangerai
onvoltooid deelwoord
mangeant
voltooid deelwoord
mangé
1e persoon meervoud imperfectum
mangions
Voorbeelden
Je préfère manger des plats faits maison. 

Ik geef de voorkeur aan eten van zelfgemaakte gerechten.

02

kauwen, vermalen

broyer la nourriture avec les dents (surtout pour les animaux ) 
manger definition and meaning
Voorbeelden
La vache mange l'herbe doucement. 

De koe kauwt het gras langzaam.

03

wegvreten, geleidelijk vernietigen

détériorer ou détruire peu à peu quelque chose 
manger definition and meaning
Voorbeelden
La rouille mange le métal rapidement. 

Roest vreet snel het metaal aan.

04

verspillen, verkwisten

utiliser quelque chose sans en profiter ou sans nécessité 
manger definition and meaning
Voorbeelden
Il mange tout son argent en achats inutiles. 

Hij verspilt al zijn geld aan nutteloze aankopen.

05

verbruiken, gebruiken

employer ou consommer quelque chose 
manger definition and meaning
Voorbeelden
Cette machine mange beaucoup d'électricité. 

Deze machine verbruikt veel elektriciteit.

06

gegeten worden, geconsumeerd worden

se dire d'un aliment que l'on mange de manière spécifique 
manger definition and meaning
Voorbeelden
Ce gâteau se mange chaud. 

Deze taart wordt warm gegeten.

01

eten, voedsel

ce que l'on mange, de la nourriture 
le manger definition and meaning
informeel
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
samenstelling
telbaar
geslacht
mannelijk
Voorbeelden
Il y a du bon manger chez elle. 

Er is eten goed bij haar thuis.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store