Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
assurer
01
verzekeren, garanderen
faire en sorte que quelqu'un soit sûr de quelque chose
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
assure
1e persoon meervoud
assurons
1e persoon toekomende tijd
assurerai
onvoltooid deelwoord
assurant
voltooid deelwoord
assuré
1e persoon meervoud imperfectum
assurions
Voorbeelden
Peux - tu m' assurer que c' est exact ?
Kun je me verzekeren dat het juist is?
02
garanderen, verzekeren
garantir la réalisation ou la sécurité de quelque chose
Voorbeelden
La politique vise à assurer la protection de l' environnement.
Het beleid is gericht op het waarborgen van de bescherming van het milieu.
03
verzekeren, een verzekering afsluiten
protéger financièrement contre un risque grâce à un contrat
Voorbeelden
Nous devons assurer notre voyage avant de partir.
We moeten onze reis verzekeren voordat we vertrekken.
04
zich vergewissen, controleren
devenir certain de quelque chose, vérifier soi-même
Voorbeelden
Il faut s' assurer que le travail est bien fait.
Je moet zekerstellen dat het werk goed gedaan is.
05
zich verzekeren van, zich voorbehouden
se réserver ou prendre pour soi quelque chose
Voorbeelden
Ils se sont assurés une part du gâteau.
Ze hebben een deel van de taart verzekerd.
06
zichzelf beschermen, zichzelf verzekeren
prendre des mesures pour éviter un danger ou un risque personnel
Voorbeelden
Nous devons nous assurer contre toute forme de danger.
We moeten ons beschermen tegen alle vormen van gevaar.



























