Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
afield
grammaticale informatie
Voorbeelden
Visitors came from as far afield as Australia to attend the festival.
Bezoekers kwamen uit zo verre plaatsen als Australië om het festival bij te wonen.
1.1
op het platteland, in de natuur
out in the countryside or natural environment, especially for battle, hunting, or work
Voorbeelden
After a long day afield, the hunters returned with their catch.
Na een lange dag in het veld keerden de jagers terug met hun vangst.
02
van het onderwerp af, ver van het hoofdonderwerp
away from the main subject or relevant topic
Voorbeelden
His comments took the discussion afield from the original agenda.
Zijn opmerkingen leidden de discussie ver van de oorspronkelijke agenda.
2.1
buiten het vertrouwde bereik, buiten het begrip
outside the scope of one's familiarity or understanding
Voorbeelden
The theory was afield from anything the students had studied before.
De theorie was verwijderd van alles wat de studenten eerder hadden bestudeerd.



























