rank
Pronunciation
/ˈɹæŋk/

Definitie en betekenis van "rank"in het Engels

01

rang, graad

members of the armed forces involving those who have a lower position
rank definition and meaning
Voorbeelden
The morale of the rank can significantly impact the effectiveness of a military unit.
02

rij, linie

a row or line of people, especially soldiers or police, standing side by side
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
mens
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
ranks
Voorbeelden
The marching band assembled in rank before the parade.
De marcherende band verzamelde zich in rij voor de optocht.
03

rang, graad

a person's relative status, position, or level of authority within an organization or society
Voorbeelden
Social rank often influenced marriage prospects in the past.
De sociale rang beïnvloedde vaak de huwelijksvooruitzichten in het verleden.
04

rang, status

a person's position within a social hierarchy or class
Voorbeelden
People of lower rank often had fewer opportunities.
Mensen van lagere rang hadden vaak minder kansen.
05

de gelederen, de leden

(plural) the people who collectively form a particular group or organization
Voorbeelden
After years of advocacy, she rose through the ranks of environmental activists to become a prominent leader.
Na jaren van pleiten steeg ze door de gelederen van milieuactivisten om een prominente leider te worden.
06

rij, lijn

a horizontal line of spaces across a game board, typically at a right angle to the columns
Voorbeelden
Pawns advanced one square forward along the rank.
De pionnen schoven één vak vooruit langs de rij.
to rank
01

rangschikken, beoordelen

to position someone or something on a scale based on importance, quality, etc.
Transitive: to rank sb/sth
to rank definition and meaning
Voorbeelden
He ranks the books on his shelf by their significance to him.
Hij rangschikt de boeken in zijn kast naar hun belang voor hem.
02

rangschikken, classificeren

to secure a position in a ranking based on measured success or accomplishment
Linking Verb: to rank [adj] | to rank a position
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
rank
3e persoon enkelvoud
ranks
onvoltooid deelwoord
ranking
onvoltooid verleden tijd
ranked
voltooid deelwoord
ranked
Voorbeelden
The athlete ranked third in the national championships due to his impressive performance.
De atleet eindigde als derde in de nationale kampioenschappen vanwege zijn indrukwekkende prestatie.
03

rangschikken, overtreffen

to be more important or higher in status than someone else
Transitive: to rank sb
Voorbeelden
The president ranks the vice president in matters of importance.
De president rangschikt de vicepresident in zaken van belang.
01

zeer vruchtbaar, uiterst vruchtbaar

extremely fertile
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
kwalitatief
overtreffende trap
rankest
vergrotende trap
ranker
gradueerbaar
Voorbeelden
The valley's rank soil was ideal for cultivating grains.
De vruchtbare grond van de vallei was ideaal voor het verbouwen van granen.
02

dicht, weelderig

growing thickly, densely, or luxuriantly
Voorbeelden
Weeds grew rank along the neglected path.
Onkruid groeide weelderig langs het verwaarloosde pad.
03

absoluut, totaal

complete or extreme, often used to intensify
Voorbeelden
The movie was rank disappointment after all the hype.
De film was een complete teleurstelling na al die hype.
04

flagrant, overduidelijk

obviously and outrageously bad or offensive
Voorbeelden
The scandal revealed rank corruption in the administration.
Het schandaal onthulde flagrante corruptie in het bestuur.
05

scherp, stinkend

having a strong and unpleasant taste or smell
Voorbeelden
The neglected trash can emitted a rank odor, signaling the need for immediate disposal.
De verwaarloosde prullenbak verspreidde een penetrante geur, wat de noodzaak voor onmiddellijke verwijdering aangaf.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store