Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
werfen
01
werpen, gooien
Etwas mit Kraft durch die Luft bewegen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
werfe
3e persoon enkelvoud
wirft
onvoltooid deelwoord
werfend
onvoltooid verleden tijd
warf
voltooid deelwoord
geworfen
Voorbeelden
Der Junge wirft den Ball zu seinem Hund.
De jongen gooit de bal naar zijn hond.
02
vervormen, kromtrekken
Sich verformen oder verbiegen, meist durch Feuchtigkeit, Trockenheit oder Temperaturwechsel
Voorbeelden
Das Parkett wirft sich, weil Wasser eingedrungen ist.
Het parket vervormt omdat water is binnengedrongen.
03
werpen, uiten
Etwas schnell oder beiläufig äußern oder erstellen
Voorbeelden
Sie warf die Idee während des Meetings auf.
Ze wierp het idee op tijdens de vergadering.
04
baren, jongen werpen
Junge gebären
Voorbeelden
Unsere Hündin hat fünf Welpen geworfen.
Onze teef heeft vijf puppy's geworpen.
05
zich werpen
Sich schnell oder heftig auf etwas oder jemanden stürzen
Voorbeelden
Die Katze warf sich auf die Maus.
Zich werpen op de muis, de kat viel aan.



























