Zoeken
stehen
01
staan, op de benen zijn
Auf den Beinen sein und nicht sitzen oder liegen
Voorbeelden
Wir stehen in der Schlange.
Wij staan in de rij.
02
stoppen, stilstaan
Nicht in Bewegung sein
Voorbeelden
Warum steht das Auto hier?
Waarom staat de auto hier?
03
gelegen zijn, zich bevinden
An einem bestimmten Ort sein
Voorbeelden
Wo steht dein Auto?
Waar staat jouw auto?
04
staan, passen
Gut passen oder aussehen
Voorbeelden
Das Kleid steht dir gut.
De jurk staat je goed.
05
staan (geschreven), vermeld zijn
Geschrieben oder gedruckt sein
Voorbeelden
Was steht in dem Brief?
06
steunen, ondersteunen
Jemandem helfen oder beistehen
Voorbeelden
Sie steht ihrem Bruder in der Krise bei.
Ze ondersteunt haar broer in de crisis.
07
verantwoordelijk zijn, de verantwoordelijkheid dragen
Verantwortung tragen
Voorbeelden
Du musst für dein Wort stehen.
Je moet je woord houden.
08
een mening hebben, akkoord gaan
Eine bestimmte Meinung vertreten
Voorbeelden
Er steht kritisch zur Idee.
Hij neemt een kritische houding aan ten opzichte van het idee.
09
klaar zijn, afgelopen zijn
Keine Reserven mehr haben
Voorbeelden
Die Sitzung steht vor dem Abschluss.
De zitting staat op het punt te eindigen.
10
laten staan, achterlaten
Etwas an einem Ort belassen
Voorbeelden
Er hat das Essen stehen lassen.
Hij heeft het eten staan gelaten.
Das Stehen
[gender: neuter]
01
stop, stilstand
Zustand der Bewegungslosigkeit
Voorbeelden
Stehen ist verboten!
Staan is verboden !


























