Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
stecken
01
vastzitten, blokkeren
Nicht weitergehen können, weil etwas festsitzt
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
stecke
3e persoon enkelvoud
steckt
onvoltooid deelwoord
steckend
onvoltooid verleden tijd
steckte
voltooid deelwoord
gesteckt
Voorbeelden
Mein Fuß steckt im Schlamm.
Mijn voet zit vast in de modder.
02
steken, plaatsen
Etwas in etwas hinein tun
Voorbeelden
Sie steckt den Brief in den Umschlag.
Ze stopt de brief in de envelop.



























