Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
tomber
01
vallen, neerstorten
perdre l'équilibre et se retrouver au sol
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
hulpwerkwoord
être
1e persoon enkelvoud
tombe
1e persoon meervoud
tombons
1e persoon toekomende tijd
tomberai
onvoltooid deelwoord
tombant
voltooid deelwoord
tombé
1e persoon meervoud imperfectum
tombions
Voorbeelden
Il est tombé par terre en glissant.
Hij viel op de grond door uit te glijden.
02
afvallen
se détacher naturellement ou tomber d'un support
Voorbeelden
Les feuilles tombent des arbres en automne.
In de herfst vallen de bladeren van de bomen.
03
vervallen, achteruitgaan
se détériorer ou être dégradé, souvent de façon progressive
Voorbeelden
Ce vieux bâtiment tombe en ruines.
Dit oude gebouw vervalt tot ruïnes.
04
afnemen, bedaren
devenir plus faible, perdre en intensité ou en force
Voorbeelden
La conversation est tombée brusquement.
Het gesprek viel plotseling stil.
05
vallen in
entrer involontairement dans une situation désavantageuse, dangereuse ou excessive
Voorbeelden
Il est tombé dans un piège sans le savoir.
Hij viel in een val zonder het te weten.
06
neerhalen, vellen
faire chuter un adversaire au sol, en sport ou en combat ; vaincre physiquement
Voorbeelden
Il a réussi à tomber son adversaire au deuxième round.
Hij slaagde erin zijn tegenstander in de tweede ronde te vloeren.
07
vallen
se déplacer vers le bas à partir d'un point élevé
Voorbeelden
La pomme est tombée de l'arbre.
De appel viel van de boom.
08
vallen in
entrer dans un état particulier sans le vouloir, souvent négatif
Voorbeelden
Elle est tombée malade la semaine dernière.
Ze werd vorige week ziek.
09
worden opgeheven, worden verwijderd
cesser d'exister, être levé ou éliminé naturellement ou par décision
Voorbeelden
L'obstacle est tombé après des négociations.
Het obstakel viel na onderhandelingen.



























