habiller
Pronunciation
/abije/

Definitie en betekenis van "habiller"in het Frans

habiller
01

aankleden, kleding aantrekken bij

mettre des vêtements à quelqu'un
habiller definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
habille
1e persoon meervoud
habillons
1e persoon toekomende tijd
habillerai
onvoltooid deelwoord
habillant
voltooid deelwoord
habillé
1e persoon meervoud imperfectum
habillions
Voorbeelden
Je vais habiller mon frère pour la fête.
Ik ga mijn broer voor het feest aankleden.
1.1

zich aankleden, kleding op zichzelf aantrekken

mettre des vêtements sur soi-même
habiller definition and meaning
Voorbeelden
Nous nous habillons pour la fête.
We kleden ons aan voor het feest.
02

staan, passen

aller bien à quelqu'un
habiller definition and meaning
Voorbeelden
Ce style ne t' habille pas beaucoup.
Deze stijl kleedt je niet veel.
03

uitbenen, uithollen

vider l'intérieur d'un aliment, comme un légume ou un animal
habiller definition and meaning
Voorbeelden
Elle habille les légumes pour les farcir.
Holt de groenten uit om ze te vullen.
04

bedekken, bekleden

recouvrir une surface avec un matériau décoratif ou protecteur
habiller definition and meaning
Voorbeelden
Elle habille la table avec une nappe élégante.
Ze bedekt de tafel met een elegant tafelkleed.
05

vermommen, verbergen

présenter quelque chose d'une manière différente pour en changer l'apparence
habiller definition and meaning
Voorbeelden
Ils ont habillé l' échec en expérience utile.
Ze verkleedden het falen als een nuttige ervaring.
06

kleding voor zichzelf kopen

acheter des vêtements pour soi-même
habiller definition and meaning
Voorbeelden
Il veut s' habiller avant la rentrée.
Hij wil zich aankleden voordat de school begint.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store