Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
habiter
01
wonen in, leven in
vivre dans un lieu
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
habite
1e persoon meervoud
habitons
1e persoon toekomende tijd
habiterai
onvoltooid deelwoord
habitant
voltooid deelwoord
habité
1e persoon meervoud imperfectum
habitions
Voorbeelden
Nous habitons près de la mer.
We wonen dichtbij de zee.
02
vullen, bezetten
remplir le cœur ou l'esprit de quelqu'un
Voorbeelden
L' espoir habite toujours leurs pensées.
Hoop bewoont altijd hun gedachten.



























