Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
détendre
01
ontspannen, kalmeren
apaiser une personne, réduire son stress
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
détends
1e persoon meervoud
détendons
1e persoon toekomende tijd
détendrai
onvoltooid deelwoord
détendant
voltooid deelwoord
détendu
1e persoon meervoud imperfectum
détendions
Voorbeelden
Ce thé à la camomille va te détendre avant le coucher.
Deze kamillethee zal je voor het slapengaan ontspannen.
02
ontspannen, rusten
se relaxer volontairement
Voorbeelden
Elle se détend en écoutant des podcasts.
Ze ontspant door naar podcasts te luisteren.
03
losmaken, ontspannen
devenir moins tendu, perdre sa tension initiale
Voorbeelden
Le col du t - shirt s' est détendu au lavage.
De hals van het t-shirt is losser geworden tijdens het wassen.
04
ontspannen, verlichten
devenir moins tendu (en parlant d'une atmosphère ou d'une situation)
Voorbeelden
Quand la musique a commencé, l' atmosphère s' est détendue.
Toen de muziek begon, ontspande de sfeer.



























