Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
déboîter
01
ontwrichten, uit de kom schieten
séparer une pièce de son emplacement ou de son articulation en la tirant ou en la forçant
Voorbeelden
Le mécanicien a déboîté la roue pour vérifier le frein.
De monteur haalde het wiel eruit om de rem te controleren.
02
uit de kom schieten, uit zijn voeg raken
sortir de son emplacement ou de son articulation de façon brutale ou accidentelle
Voorbeelden
Le tiroir a déboîté d' un coup.
De lade sprong plotseling uit zijn plaats.
03
plotseling van rijstrook wisselen, uit zijn rijstrook gaan
changer de file brusquement ou sortir de sa voie en roulant
Voorbeelden
La moto a déboîté trop vite et a failli tomber.
De motor wisselde te snel van rijstrook en viel bijna om.
04
ontwrichten, uit de kom schieten
sortir de son articulation de manière brutale ou accidentelle
Voorbeelden
Son doigt s' est déboîté lorsqu' il a frappé la table.
Zijn vinger ontwrichtte toen hij op de tafel sloeg.



























