déboucher
01
ontkurken, openen
ouvrir une bouteille en enlevant le bouchon
Voorbeelden
Nous avons débouché le champagne pour célébrer.
We hebben de champagne ontkurkt om te vieren.
02
uitmonden, uitkomen op
aboutir à un endroit
Voorbeelden
La piste cyclable débouche près de la plage.
Het fietspad komt uit bij het strand.
03
ontstoppen, een verstopping opheffen
dégager un passage obstrué
Voorbeelden
Il faut déboucher les gouttières avant l' hiver.
We moeten de goten voor de winter ontstoppen.



























