to grip
grip
grɪp
grip
driptripclipslip

Definitie en betekenis van "grip"in het Engels

to grip
01

stevig vasthouden, krachtig grijpen

to firmly hold something 
Transitive: to grip sth
to grip definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
grip
3e persoon enkelvoud
grips
onvoltooid deelwoord
gripping
onvoltooid verleden tijd
gripped
voltooid deelwoord
gripped
Voorbeelden
He had to grip the handle tightly to open the stubborn jar. 

Hij moest het handvat stevig vasthouden om de koppige pot te openen.

02

stevig vasthouden, grijpen

to hold tightly and provide traction or a secure hold, especially on a surface 
Transitive: to grip a surface
Voorbeelden
The new hiking boots grip the slippery terrain exceptionally well. 

De nieuwe wandelschoenen grijpen uitzonderlijk goed op glad terrein.

03

grijpen, omklemmen

to exert a strong hold or impact that is difficult to escape or overcome 
Transitive: to grip sb
Voorbeelden
Fear gripped her as she walked through the dark and unfamiliar hallway. 

Angst greep haar aan terwijl ze door de donkere en onbekende gang liep.

01

koffer, reistas

a small, portable rectangular case used for carrying clothing or personal items, especially during travel 
grip definition and meaning
Voorbeelden
He packed his suit in a leather grip. 

Hij pakte zijn pak in een leren koffer.

02

het handvat, de grip

the part of a tool, handle, or equipment, such as a racket, that is held with the hand, often covered with a special tape or material to make holding easier and more secure 
grip definition and meaning
Voorbeelden
The racket's grip was worn out and needed to be replaced. 

Het handvat van het racket was versleten en moest worden vervangen.

03

grip, camera-assistent

a member of a film or television crew responsible for moving and positioning cameras and equipment during production 
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
mens
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
grips
Voorbeelden
The grip adjusted the camera for the tracking shot. 

De grip stelde de camera in voor de tracking shot.

04

haarklem, haarspeld

a flat wire hairpin or clip with prongs that hold hair securely in place 
Voorbeelden
She used a grip to fasten the bobbed hairstyle. 

Ze gebruikte een haarklem om het bobkapsel vast te zetten.

05

greep, grip

the act or instance of holding or grasping something firmly 
Voorbeelden
He had a strong grip on the rope. 

Hij had een stevige greep op het touw.

06

beheersing, begrip

an intellectual or conceptual hold on a subject, idea, or understanding 
Voorbeelden
She has a firm grip of calculus principles. 

Ze heeft een stevige greep op de principes van calculus.

07

grip, hechting

the frictional force between a moving object and the surface it contacts, as between tires and a road 
Voorbeelden
The tires lost grip on the icy road. 

De banden verloren de grip op de ijzige weg.

08

een hoop, een berg

a large amount or quantity of something 
slang
Voorbeelden
He spent a grip of money on those shoes. 

Hij gaf een hoop geld uit aan die schoenen.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store