Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
fluiten
De jongen leerde fluiten door naar zijn opa te kijken.
fluiten, toeteren
De waterkoker begon te fluiten toen het water het kookpunt bereikte.
fluiten, een fluitsignaal geven
Hij floot om de ober de rekening te laten brengen na het avondeten.
fluiten
Hij begon een vrolijk deuntje te fluiten terwijl hij over straat liep.
fluiten, suizen
De wind floot door de scheuren in het raam, waardoor het huis koud aanvoelde.
fluitje, blokfluit
Het kind speelt een deuntje op een metalen fluitje.
fluit, fluitje
De fluit van de badmeester waarschuwt zwemmers voor gevaar.
fluit, sirene
De ingenieur blies op de fluit om de arbeiders op het spoor te waarschuwen voor de naderende trein.
fluitje, toeter
De scheidsrechter blies op de fluit om de wedstrijd te stoppen na een overtreding.
fluit, fluitgeluid
De wind maakt een fluitgeluid door de schoorsteen.
Lexicale Boom



























