Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to suffocate
01
verstikken, wurgen
to block someone or something's access to air, making it difficult or impossible to breathe
Transitive: to suffocate sb/sth
Voorbeelden
The room was so airtight that the heat began to suffocate everyone inside.
De kamer was zo luchtdicht dat de hitte iedereen binnen begon te verstikken.
02
stikken, verstikken
to struggle for breathing due to the lack or reduced amount of oxygen
Intransitive
Voorbeelden
The room was so stuffy that she began to suffocate and had to open a window.
De kamer was zo benauwd dat ze begon te stikken en een raam moest openen.
03
verstikken, onderdrukken
to feel overwhelmed, trapped, or oppressed
Transitive: to suffocate sb/sth
Voorbeelden
The feeling of being trapped in a small town suffocated his dreams.
Het gevoel vast te zitten in een klein stadje verstikte zijn dromen.
04
stikken, verstikken
to die because there is not enough oxygen to breathe
Intransitive
Voorbeelden
The victims suffocated in the fire, unable to escape the smoke.
De slachtoffers stikten in de brand, niet in staat om aan de rook te ontsnappen.
05
verstikken, onderdrukken
to prevent something from growing or progressing by blocking or restricting it
Transitive: to suffocate development of something
Voorbeelden
The lack of resources choked the development of the project.
Het gebrek aan middelen verstikte de ontwikkeling van het project.
06
verstikken, belemmeren
to be stopped or hindered in progress or growth
Intransitive
Voorbeelden
The idea suffocated when no one was willing to support it.
Het idee stikte toen niemand bereid was het te steunen.
Lexicale Boom
suffocating
suffocation
suffocative
suffocate



























