Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
roken, een trekje nemen
Rokers trekken aan sigaretten om de rook in te ademen en uit te ademen.
hijgen, blazen
Na het rennen van de trap, begon ze te hijgen, worstelend om op adem te komen.
blazen, wegblazen
Hij blies het stof van het oude boek voordat hij het opende.
opzwellen, uitzetten
De zeilen van de boot bolden in de wind, zich vullend met lucht.
opscheppen, pronken
Ze blies zich op tijdens het interview, met overdreven claims over haar expertise.
opblazen, overdreven prijzen
Hij opgeblazen het boek in interviews, overdreef de impact en kwaliteit ervan.
opblazen, hoogmoedig maken
De lof van haar baas blies haar ego op, waardoor ze zich onoverwinnelijk voelde.
dekbed, sprei
lafaard, watje
Wees niet zo'n zwakkeling en stop met klagen.
hijg, trek
puf, ademstoot
poederdons, puff
pof, dik kussen
overdreven lof, overdreven promotie
een licht opgeblazen gebakje, een puff shell
vlaag, briesje
opgeblazen, gezwollen
Lexicale Boom



























