Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
ziehen
01
trekken, slepen
Etwas mit Kraft bewegen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
ziehe
3e persoon enkelvoud
zieht
onvoltooid deelwoord
ziehend
onvoltooid verleden tijd
zog
voltooid deelwoord
gezogen
Voorbeelden
Er zog den Schlüssel aus dem Schloss.
Hij trok de sleutel uit het slot.
02
trekken, eruit halen
Etwas herausnehmen
Voorbeelden
Sie zog eine Karte aus dem Stapel.
Ze trok een kaart uit het stapel.
03
verhuizen, zich verplaatsen
An einen neuen Ort gehen
Voorbeelden
Wir sind nach Berlin gezogen.
We zijn naar Berlijn verhuisd.
04
aantrekken, aandoen
Kleidung anlegen
Voorbeelden
Er zog die Jacke an.
Hij trok de jas aan.
05
trekken, slepen
Etwas verschieben
Voorbeelden
Zieh den Tisch näher heran!
Trek de tafel dichterbij !
06
tekenen, lijnen trekken
Linien oder Bilder machen
Voorbeelden
Das Kind zog einen Kreis.
Het kind trok een cirkel.
07
zich uitstrekken, voortduren
Sich über Zeit oder Raum erstrecken
Voorbeelden
Die Sitzung zog sich stundenlang.
De vergadering sleepte urenlang aan.
08
tocht, trekken
Luftzug spüren
Voorbeelden
Hier zieht es stark.
Hier trekt het sterk.
09
trekken
Mit heißem Wasser extrahieren
Voorbeelden
Lass den Tee 5 Minuten ziehen.
Laat de thee 5 minuten trekken.



























