sein
sein
saɛn
saen
stein

Definitie en betekenis van "sein"in het Duits

01

zijn, zich bevinden

einen Zustand, eine Eigenschaft oder eine Identität haben 
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
bin
3e persoon enkelvoud
ist
onvoltooid deelwoord
seiend
onvoltooid verleden tijd
war
voltooid deelwoord
gewesen
Voorbeelden
Ich bin müde. 

Zijn moe.

02

zijn, bestaan

vorhanden sein oder existieren 
Voorbeelden
Es ist noch Hoffnung. 

Er is nog hoop.

03

zijn, hebben

wird zur Bildung von Zeiten wie Perfekt oder Plusquamperfekt verwendet 
Voorbeelden
Er ist nach Hause gegangen. 

Hij is naar huis gegaan.

04

moeten, verplicht zijn

ausdrücken, dass etwas notwendig oder vorgeschrieben ist 
Voorbeelden
Das Formular ist bis morgen fertig zu sein. 

Het formulier moet voor morgen klaar zijn.

01

zijn, eigen

zeigt Besitz oder Zugehörigkeit zu einem Mann oder zu etwas Neutrum 
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
relationeel
niet gradueerbaar
verbuigbaar
Voorbeelden
Das ist sein Buch. 

Dat is zijn boek.

01

zijn

ersetzt ein Nomen und zeigt Besitz an 
Voorbeelden
Das Buch ist seins. 

Het boek is van hem.

01

zijn, bestaan

Das grundlegende Dasein oder die Existenz von allem 
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
samenstelling
ontelbaar
geslacht
onzijdig
genitiefvorm
Seins
Voorbeelden
Das Sein ist ein zentrales Thema der Philosophie. 

Het Zijn is een centraal thema in de filosofie.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store