Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
01
snel, vlug
qui se déplace ou agit rapidement
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
kwalitatief
overtreffende trap
le plus vif
vergrotende trap
plus vif
gradueerbaar
mannelijk enkelvoud
vif
mannelijk meervoud
vifs
vrouwelijk enkelvoud
vive
vrouwelijk meervoud
vives
Voorbeelden
Le chat a fait un mouvement vif pour attraper la souris.
De kat maakte een snelle beweging om de muis te vangen.
02
levend, levendig
qui est vivant
Voorbeelden
C'est un enfant vif.
Hij is een levendig kind.
03
levendig, energiek
plein d'énergie et d'entrain
Voorbeelden
C'est un enfant vif et toujours souriant.
Hij is een levendig kind en lacht altijd.
04
helder, levendig
qui est intense et éclatant (couleur)
Voorbeelden
Elle porte une robe d'un rouge vif.
Ze draagt een jurk in een felrood.
05
intens, sterk
qui est très intense ou très fort
Voorbeelden
Il a ressenti une vive douleur dans le bras.
Hij voelde een hevige pijn in zijn arm.
06
opvallend, intens
qui attire l'attention ou qui est intense
Voorbeelden
Il a montré un vif intérêt pour le projet.
Hij toonde een levendige interesse in het project.
07
scherp, fel
qui blesse ou frappe par sa force ou son intensité
Voorbeelden
Il a fait des propos très vifs contre son collègue.
Hij maakte zeer scherpe opmerkingen tegen zijn collega.
08
scherp, puntig
qui est froid et sec, piquant
Voorbeelden
Le vent vif de l'hiver traverse la vallée.
De scherpe winterwind steekt de vallei over.
Le vif
01
levend persoon, levende
personne qui est encore en vie, en particulier pour les affaires juridiques
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
mens
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
vifs
Voorbeelden
Le testament ne peut être appliqué que si le vif est présent.
Het testament kan alleen worden toegepast als de levende persoon aanwezig is.



























